In de zomer van 1966 was de lucht boven Harmony Creek, Tennessee, zwaar en droog. De eens zo groene velden waren veranderd in stof, de gewassen verdorden en de families die al generaties lang hetzelfde land bewerkten, begonnen te bezwijken onder de last van schulden en honger. Onder hen was de familie Hayes: trots, arm en wanhopig.
Walter Hayes was een hardwerkende man, toegewijd aan orde, gehoorzaamheid en de schijn. Zijn twintigjarige dochter, Matilda, had haar hele leven geleefd onder het juk van zijn ongeschreven regels: spreek met gedempte stem, werk hard en droom nooit verder dan wat genaaid, gekookt of schoongemaakt kon worden. Terwijl andere jonge vrouwen glinsterende jurken droegen en naar kerkbals gingen, bleef Matilda thuis, haar wereld beperkt tot de stem van haar vader.
Toen kwam de droogte – en daarmee de wanhoop.
Wekenlang leefde het gezin Hayes van niets anders dan aangelengde havermout. Matilda’s jongere broers en zussen vielen huilend van de honger in slaap. De ogen van hun moeder bleven rood van de tranen die ze nooit in het bijzijn van haar kinderen had vergoten. En op een nacht, toen het huis in een zware stilte gehuld was, ving Matilda een gesprek op dat haar leven voorgoed zou veranderen.
Een meisje werd verkocht om een gezin te redden.
In de kleine woonkamer klonk een mannenstem, gemompeld door het gezoem van een lantaarn. Zijn naam was Arthur Shaw, een rijke, gereserveerde boer, twee keer zo oud als Matilda. In Harmony Creek kende iedereen hem als de rijke man zonder familie, degene die in een groot huis aan de rand van de stad woonde en een teruggetrokken leven leidde.
Toen de bezoeker vertrokken was, riep Walter zijn dochter. Hij kon zichzelf er niet toe zetten haar in de ogen te kijken.
