Adriaan dacht aan de brief van Marguerite: “Gebruik het wijs om een nieuw leven op te bouwen…” Zij had gehoopt dat haar zoon met het goud een veilig bestaan als koopman of landeigenaar in de Nederlanden zou opbouwen. Maar na urenlang spitten in de registers van Maastricht en omstreken, stuitte Adriaan op een heel ander verhaal.
Hij vond de naam ‘Etienne’ niet terug in de boeken van de gilden of de registers van de gegoede burgerij. In plaats daarvan dook de naam op in de militaire archieven van de ‘Patriotten’.
“Verdraaid,” mompelde Adriaan terwijl hij zijn loep over een vergeeld document uit 1795 liet glijden. “Hij heeft het goud helemaal niet gebruikt voor een huis of een zaak.”
Uit de registers bleek dat Etienne, gedreven door een vurig idealisme of misschien wel wraak voor het verlies van zijn ouderlijk huis, zijn kapitaal had aangewend om een kleine militie uit te rusten. Hij was niet de voorzichtige vluchteling geworden die zijn moeder voor ogen had; hij was een revolutionair geworden die zij aan zij met de Franse troepen vocht – de troepen waar zijn moeder juist voor was gevlucht.
Adriaan ontdekte een briefkopie van een lokale notaris waarin Etienne officieel afstand deed van zijn adellijke titel. Hij had zichzelf hernoemd naar ‘Etienne van der Meeren’ – een naam die verwees naar de polders waar hij zijn nieuwe vrijheid had gevonden, ver weg van de kastelen van de Ardennen.
“Dat verklaart alles,” zei Adriaan zachtjes tegen zichzelf. “Hij heeft de kast nooit geopend om het goud voor zichzelf te houden. Hij heeft de geheime nis waarschijnlijk als een soort tijdcapsule achtergelaten, als een laatste brug naar een leven dat hij bewust de rug had toegekeerd.”
Toen Antje even later met een glas water zijn kamer binnenkwam, keek Adriaan op met een mengeling van bewondering en melancholie.
“Hij heeft Marguerite’s droom niet waargemaakt, Antje. Althans, niet op de manier die zij wilde. Ze gaf hem goud voor veiligheid, maar hij kocht er gevaar en idealen voor. Hij is de stamvader van de familie Van der Meeren geworden, maar hij heeft het geheim van zijn afkomst letterlijk in de wand van die kast begraven.”
Antje keek naar het medaillon op het bureau. “Zou hij geweten hebben dat zijn eigen beeltenis daar ook nog in zat? Of was dat een laatste verrassing van zijn moeder die hij zelf nooit heeft gevonden?”
Adriaan kon niet wachten tot de volgende ochtend. Hij belde Harrie direct en vroeg de hele groep om die middag nog bij elkaar te komen in het kantoor achterin De Lege Knip. De sfeer was geladen toen Adriaan de kopieën van de archiefstukken op de grote eikenhouten tafel uitspreidde.
“Mensen, luister,” begon Adriaan, terwijl hij zijn bril rechtzette. “Etienne de Valois-Borset was niet de brave zoon die zijn moeder wilde beschermen. Hij was een rebel. Hij heeft het grootste deel van het goud waarschijnlijk gebruikt om zijn eigen idealen te financieren. Hij veranderde zijn naam in ‘Van der Meeren’ om met zijn adellijke verleden te breken. De kast met de overgebleven munten en het medaillon was zijn laatste tastbare herinnering, die hij blijkbaar nooit meer heeft kunnen – of willen – openen.”
Harrie schudde zijn hoofd van verbazing. “Dus de familie Van der Meeren, waar wij die boedel van hebben gekregen, stamt rechtstreeks af van een revolutionaire Franse edelman?”
“Precies,” knikte Adriaan. “Maar ze weten het zelf waarschijnlijk niet eens. Voor hen was het gewoon ‘opa’s oude kast’. Het verhaal is in de loop van de generaties verloren gegaan.”
Trees, die altijd oog had voor de menselijke kant, keek peinzend naar het medaillon. “We moeten contact opnemen met de laatste nazaat. Dat is die oude meneer Van der Meeren die nu in het verzorgingstehuis in het dorp woont, toch? Hij is de enige die nog over is van die tak.”
Jannus knikte. “Karel Van der Meeren. Een man van weinig woorden, maar altijd trots op zijn familiehistorie, hoe vaag die ook was. Als we hem dit vertellen, geven we hem niet alleen goud terug, maar zijn hele identiteit.”
Harrie stond op en pakte zijn autosleutels. “Dan gaan we erheen. Niet als handelaren, maar als boodschappers. We nemen de brief, het medaillon en een paar van die munten mee. Adriaan, jij moet het woord doen; jij hebt de feiten boven water gekregen.”
Sally en Lotte, die inmiddels ook waren gearriveerd vanuit het Slot, keken bewonderend toe. De vakantie in de Ardennen had hen rust gebracht, maar deze ontdekking in hun eigen dorp gaf hun het gevoel dat alles nu pas echt op zijn plek viel.
“Laten we gaan,” zei Adriaan vastberaden. “De geschiedenis heeft lang genoeg in het donker gestaan.”
De aankomst bij het verzorgingstehuis voelde voor de groep bijna als een pelgrimstocht. Adriaan droeg een klein leren tasje met daarin de brief en het medaillon, terwijl Harrie en Jannus met een mengeling van ontzag en zenuwen achter hem liepen.
Karel van der Meeren zat in zijn vertrouwde fauteuil bij het raam, uitkijkend over de polder. Hij was broos, maar zijn ogen waren nog scherp en helder. Toen de groep binnenkwam, keek hij verbaasd op.
