Dorus liep met zijn hoofd naar beneden, maar de contouren van het gebouw aan de overkant van het plein dwongen hem op te kijken. Het was de oude school waar hij ruim dertig jaar geleden zijn allereerste stappen als stagiair had gezet. Hij was er in al die jaren duizenden keren langsgekomen, maar altijd met de blik op de toekomst of op zijn werk. Vandaag was er geen toekomst en geen werk.
“Wat maakt het ook uit,” dacht hij bitter. “Ik heb alle tijd van de wereld. Laten we eens kijken wat er over is van de plek waar het ooit begon.”
Toen hij de drempel overstapte, werd hij niet begroet door de kille, steriele geur van zijn laatste werkplek, maar door een warme deken van herkenning. Toch was het beeld totaal anders dan hij in zijn geheugen had opgeslagen.
De geur van wrijfwas hing nog in de gangen, maar de oude lokalen waren onherkenbaar getransformeerd. Waar ooit rijen schoolbanken stonden, stonden nu kasten vol met gebruikte meubels. Een ander lokaal was veranderd in een indrukwekkende bibliotheek die tot aan het plafond reikte. Hij liep verder en zag een ruimte die uitpuilde van de kleding, en een hoek waar honderden grammofoonplaten en cd’s stonden te glimmen onder het TL-licht.
Dorus keek zijn ogen uit. In zijn hoofd zag hij de klaslokalen van dertig jaar geleden nog haarscherp: hier stond het krijtbord, daar mijn bureau. Maar de huidige chaos had een vreemde, gestructureerde logica die hem fascineerde.
Hij dwaalde verder naar een ruimte waar het geluid van gesleutel klonk. In een hoek stonden rijen oude radio’s en televisies opgesteld, sommige open geschroefd , andere glimmend gepoetst voor de verkoop.
“Mooi spul hè?” klonk een stem uit de diepte van een opengeslagen apparaat.
Het was Piet, die met een loep voor zijn oog een cd-speler aan het inspecteren was. Hij merkte de man met de trieste ogen op die daar midden in de ruimte stond, verdwaald in zijn eigen herinneringen.
Dorus knikte langzaam. “Ik liep hier dertig jaar geleden stage. Ik wist niet dat het… dat het nu dit was.”
“Tijden veranderen, maat,” zei Piet terwijl hij zijn schroevendraaier neerlegde en Dorus eens goed bekeek. Hij herkende de blik van iemand die net een harde klap had gekregen. “Maar hier bewaren we de dingen die de rest van de wereld weggooit. Soms is een beetje aandacht en reparatie alles wat nodig is.”
“Breek me de bek niet open”reageerde Dorus. Piet ziet de man aan en zegt “wil je er over praten, zeg het maar. Ik ben Piet de Visser” Dorus ziet Piet aan met een paar ogen op de manier heb ik iets te veel gezegd” Ja ik kom net bij mijn advocaat vandaan en die heb me geen opbeurende mededeling gedaan”
Piet legde zijn gereedschap resoluut opzij. Hij zag aan de trilling in de stem van de man dat dit niet zomaar een zakelijk akkefietje was. Dit zat diep.
“Breek me de bek niet open,” zuchtte Dorus, terwijl hij onbewust steun zocht tegen een oude schoolbank die nu dienstdeed als display voor antieke radio’s.
Piet stapte naar voren en keek de man recht aan, met die kalme, onderzoekende blik die hij in de loop der jaren had ontwikkeld. “Luister, maat. Als het hart vol is, loopt de mond over. Ik ben Piet de Visser. Als je het kwijt wilt, ben ik één en al oor.”
