“Jannus, je hebt goud in handen en je weet het niet eens,” zei hij hardop tegen de foto op zijn scherm.
Hij pakte zijn telefoon om Jannus direct te bellen, maar hield toen even in. Hij keek naar de deur. Hij had Antje beloofd samen de zolder te doen. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Misschien kon hij dit geheim gebruiken om de sfeer van vanmorgen helemaal goed te maken.
Adriaan kon het niet laten. De opwinding van de ontdekking was te groot om voor zich te houden. Hij liet zijn boeken openliggen op het bureau en liep met zijn telefoon in de aanslag de trap weer af.
“Antje! Moet je eens komen kijken,” riep hij, terwijl hij de keuken in liep waar Antje net de laatste theekopjes in de kast zette.
Antje droogde haar handen af aan haar schort en kwam bij hem staan. “Heb je het nu al gevonden? Je bent er maar druk mee, Adriaan.”
Adriaan legde de telefoon op het aanrecht en wees met zijn vinger op het vergrote beslag van de wijnranken. “Kijk hier, bij dat derde blad. Volgens mijn boeken is dit een serrure à secret. Een geheim slot. Als Jannus daar op de juiste manier op drukt, springt er achterin de kast een paneeltje open.”
Antje boog zich voorover, haar interesse nu ook gewekt. “Een geheim vakje? Net als in die oude spannende boeken? Wat zou daar dan in gezeten hebben, denk je?”
Ze liepen samen naar de tafel en gingen zitten. De sfeer van ‘met het verkeerde been uit bed stappen’ was nu volledig verruild voor die van twee rechercheurs aan de vooravond van een doorbraak.
Antje “Ik wed op oude liefdesbrieven. Van zo’n Franse officier die gelegerd was in de grensstreek. Verborgen voor de buitenwereld omdat het niet mocht.”
Adriaan “Nou, ik denk eerder aan iets zakelijkers. Goudstukken of eigendomspapieren van een landgoed. In die tijd, met al die plunderingen, vertrouwden die rijke lui de banken voor geen meter. Ze timmerden hun kapitaal liever letterlijk in hun meubels.”
Antje “Of misschien wel een familierecept voor die beroemde Luikse stroop, dat ze absoluut geheim wilden houden voor de buren!” lachte ze.
Adriaan keek naar zijn vrouw en voelde een golf van affectie. Dit was waarom ze het al bijna veertig jaar volhielden: ze konden samen opgaan in de kleinste wonderen. “Wat het ook is,” zei hij, “het maakt die kast van Jannus in één klap drie keer zoveel waard. Niet eens om het geld, maar om het verhaal.”
Antje knikte. “Bel hem nou maar, Adriaan. Ik ben veel te nieuwsgierig of het mechanisme na al die jaren nog wel werkt. En daarna…” ze wees met een knipoog naar de gang, “…gaan wij onze eigen ‘vondsten’ op zolder eens bekijken. Wie weet wat voor geheime vakjes wij daar nog tegenkomen tussen de kerstspullen.”
Adriaan lachte. “Je hebt gelijk. Eerst Jannus, dan de zolder. De expert is er klaar voor.”
Adriaan zette de telefoon op de luidspreker en legde hem midden op de keukentafel. Antje schoof haar stoel dichterbij, haar ogen glinsterend van de voorpret.
“Jannus? Je staat op de luidspreker, Antje luistert mee,” zei Adriaan met een plechtige ondertoon. “We hebben het uitgezocht. Heb je de kast voor je neus?”
“Zeker weten,” klonk de stem van Jannus, die nu wat gedempt klonk. “Ik sta hier samen met Piet in het magazijn. We hebben de kast op een paar hondjes gezet zodat we er goed bij kunnen. Vertel het ons, professor, waar zit het addertje?”
Adriaan nam een diepe ademteug. “Kijk naar de rechterkant van het middenbeslag. Zie je die wijnranken? Tel vanaf de onderkant naar het derde blad. Het ziet eruit als een gewoon blaadje, maar de nerf zou een fractie dieper moeten liggen.”
Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Adriaan en Antje hielden onwillekeurig hun adem in. In de verte hoorden ze het vertrouwde zware ademen van Piet en het zachte gekrab van een nagel over ijzer.
“Ik heb het,” fluisterde Jannus. “Het voelt inderdaad… anders. Het geeft een klein beetje mee.”
“Oké,” zei Adriaan, zijn stem nu vol spanning. “Druk nu niet recht naar achteren, maar druk het blad iets naar boven en dan pas diep in. Alsof je een geheime grendel wegduwt.”
Aan de andere kant van de lijn klonk een droge, houten klik, gevolgd door een krakend geluid van hout dat in geen decennia bewogen had.
“Mijn hemel!” riep Piet op de achtergrond. “Jannus, kijk dan! De hele achterlijst van het onderste schap komt naar voren!”
Antje sloeg haar handen voor haar mond. “Het werkt nog,” fluisterde ze bewonderend.
“Wat zie je, Jannus? Zit er wat in?” vroeg Adriaan ongeduldig, terwijl hij bijna in de telefoon kroop.
“Wacht even… het is een smalle nis,” zei Jannus, en ze hoorden het schrapen van papier over hout. “Er ligt hier een stapeltje… het lijkt wel perkament. En iets zwaars, gewikkeld in een oude, vergane doek.”
“Niet zomaar uitpakken!” waarschuwde Adriaan direct. “Wees voorzichtig met dat papier. Als het uit de Franse tijd is, valt het zo uit elkaar.”
“Het is een brief, Adriaan,” zei Jannus, en zijn stem klonk nu vol ontzag. “Met een lakstempel die nog deels intact is. En dat zware pakketje… ik voel de vorm van munten door de stof heen.”
Antje keek Adriaan aan, haar ogen groot. “Je had gelijk,” fluisterde ze. “Goudstukken.”
“Jongens,” zei Jannus plechtig, “ik geloof dat we hier de geschiedenis van een hele familie in handen hebben. Adriaan, je bent een genie. Zonder jouw boeken hadden we dit meubel gewoon als ‘mooie kast’ verkocht en was dit geheim voor altijd in de schaduw gebleven.”
Adriaan en Antje keken elkaar aan over de keukentafel. De spanning aan de andere kant van de lijn was zo aanstekelijk dat de geplande zolderopruiming op slag naar de achtergrond verdween. De ladder kon nog wel een dagje in de schuur blijven staan; dit was een moment waar een antiekliefhebber als Adriaan zijn hele leven op wachtte.
