“Jannus, blijf overal vanaf!” riep Adriaan bijna bevelend in de telefoon. “Raak die lakstempel niet aan en laat die doek met munten dichtliggen. Antje en ik komen er nu aan!”
“Ik dacht al dat je dat zou zeggen,” lachte Jannus. “De koffie staat klaar, en ik zal Piet opdracht geven om de winkeldeur op slot te doen. Dit willen we niet tussen de drommen klanten door doen.”
Binnen vijf minuten zat het stel in de auto. Adriaan, die normaal gesproken de tijd nam voor elk bochtje, reed nu met een vastberadenheid die Antje deed glimlachen.
“Je lijkt wel een jonge hond die een bot heeft geroken,” plaagde ze hem, terwijl ze haar gordel nog eens extra aantrok.
“Dit is geen bot, Antje, dit is een tijdcapsule!” reageerde Adriaan enthousiast. “Als die lakstempel inderdaad van een adellijke familie uit de regio Verviers is, dan hebben we hier een verhaal te pakken dat de waarde van de kast ver overstijgt. Het is de tastbare geschiedenis van mensen die alles moesten verbergen om te overleven.”
Toen ze het terrein bij de winkel opreden, zagen ze het bordje ‘GESLOTEN’ al op de deur hangen. Jannus stond ongeduldig achter het glas te zwaaien. Zodra Adriaan en Antje binnenstapten, hing de geur van oude was en avontuur hen tegemoet.
In het magazijn, onder de felle werklampen, stond het eikenhouten kabinet. Het geheime paneel aan de achterzijde stond een klein stukje open, precies zoals Jannus het live aan de telefoon had beschreven.
Piet stond erbij met een paar witte katoenen handschoentjes in zijn hand. “Hier Adriaan, voor de expert. We hebben alleen gekeken, niets verplaatst.”
Adriaan trok de handschoenen aan, zijn handen trilden lichtjes van de adrenaline. Hij boog zich voorover en keek in de smalle nis. Daar lagen ze: de vergeelde papieren, broos en kwetsbaar, en het bundeltje dat inderdaad de onmiskenbare vorm van gestapelde munten verraadde.
Antje legde een hand op zijn schouder. “Ga je gang, Adriaan. Maak de geschiedenis maar eens wakker.”
Met de uiterste voorzichtigheid van een chirurg reikte Adriaan in de nis om de eerste brief naar buiten te halen. De hele ruimte hield de adem in. De enige geluiden waren het verre tikken van een staande klok en de opgewonden hartslag van vier vrienden die op het punt stonden een geheim van tweehonderd jaar oud te ontsluieren.
Adriaan hield zijn adem in terwijl hij het eerste document behoedzaam op de werktafel legde. Het papier was grauw en voelde aan als gedroogde herfstbladeren. Met de uiterste precisie van zijn pincet klapte hij de eerste vouw open. Antje, Jannus en Piet bogen zich over zijn schouder, hun gezichten verlicht door de felle werklamp.
De brief was geschreven in een sierlijk, zwierig handschrift met inkt die door de eeuwen heen was vervaagd tot een zachte sepiakleur. Adriaan herkende het Frans van de hogere kringen uit de late achttiende eeuw.
“Het is een brief van een zekere Marguerite de Valois-Borset,” vertaalde Adriaan zachtjes, zijn ogen over de regels vliegend. “Gedateerd op 14 oktober 1794. Ze schrijft aan haar zoon, die blijkbaar naar het noorden was gevlucht voor de troepen van Napoleon.”
De inhoud was hartverscheurend. Marguerite schreef dat het familielandgoed nabij Verviers was geconfisqueerd en dat ze dit kabinet naar een bevriende handelaar in Maastricht had laten smokkelen. ‘In de buik van dit meubel vind je de laatste resten van onze eer,’ las Adriaan voor. ‘Gebruik het wijs om een nieuw leven op te bouwen in de vrije Nederlanden.’
Piet wees naar het bundeltje in de vergane doek. “En dit dan, Adriaan? Is dit de ‘eer’ waar ze over schrijft?”
Adriaan knoopte het touwtje van de doek los. De stof verpulverde bijna tussen zijn vingers. Toen de laatste laag openging, rolden er twaalf zware, goudgele munten over de tafel. Het doffe licht van de werkplaats werd plotseling gereflecteerd in het pure goud.
“Mijn hemel,” fluisterde Jannus. “Dat zijn Louis d’ors.”
Het waren Franse gouden munten, geslagen onder Louis XVI. Ze zagen eruit alsof ze gisteren uit de muntpers waren gekomen, ongeschonden door de tijd in hun houten schuilplaats. Twaalf kleine fortuintjes die nooit hun bestemming hadden bereikt. De zoon had de kast blijkbaar nooit teruggevonden, of de brief nooit kunnen lezen.
“Dit verandert alles,” zei Antje met een brok in haar keel. “Dit is geen antiek meer, dit is een onvoltooid verhaal. Die Marguerite heeft haar laatste bezit opgeofferd voor de toekomst van haar kind.”
Adriaan knikte plechtig en keek naar zijn vrienden. De hebzucht die je bij zo’n vondst zou verwachten, was nergens te bekennen; er heerste enkel een diep ontzag voor de geschiedenis.
“Jannus,” begon Adriaan, terwijl hij zijn bril afzette. “Dit kunnen we niet zomaar als ‘vondst’ in de winkel zetten. We moeten uitzoeken wat er met die zoon is gebeurd. Misschien zijn er nog nazaten die geen idee hebben dat hun familiegeschiedenis in een verborgen nis in ons magazijn ligt te wachten.”
Piet krabde zich achter de oren. “Dat wordt een hele speurtocht, Adriaan. Maar je hebt gelijk. Een ‘Lege Knip’ is één ding, maar een leeg hart door een verloren geschiedenis, dat kunnen we niet laten gebeuren.”
De rit naar huis was een stuk stiller dan de heenreis, maar dit keer was het een stilte van pure verbazing. De twaalf gouden munten en de fragiele brief lagen veilig opgeborgen in de kluis van De Lege Knip, maar de beelden ervan stonden op Adriaans netvlies gebrand.
Thuisgekomen was de zon inmiddels definitief doorgebroken. De regenboog van die ochtend was allang verdwenen, maar de sfeer in huis was lichter dan ooit. Adriaan stak de houtkachel aan, terwijl Antje een fles wijn ontkurkte die ze eigenlijk voor een speciale gelegenheid hadden bewaard.
De Reflectie bij het Vuur
Ze zakten samen weg in de diepe fauteuils. Adriaan keek naar zijn handen, die nog steeds een beetje leken te trillen van de adrenaline.
“Moet je nagaan, Antje,” begon hij hoofdschuddend. “Als ik vanmorgen niet zo nukkig was geweest, als ik niet voor dat raam was blijven staan dromen bij die regenboog… dan had ik misschien nooit dat telefoontje van Jannus opgenomen met de scherpte die ik nu had. Dan had ik hem misschien afgepoeierd met ‘bel later maar terug’.”
Antje nam een slok van haar wijn en glimlachte ondeugend. “En als ik niet zo eigenwijs was geweest om je te laten liggen, hadden we samen het bed gedaan en waren we direct die ladder op geklommen naar de zolder. Dan hadden we die hele kast en die brief totaal gemist.”
Ze praatten urenlang door over Marguerite de Valois-Borset. Hoe zij daar in 1794 moet hebben gezeten, in een brandend Europa, hopend dat deze houten kast de redding van haar zoon zou zijn. Het simpele ochtendhumeur van een gepensioneerde antiekexpert was de sleutel geworden die een deur naar een tweehonderd jaar oud drama opende.
“Het is een lesje in nederigheid,” concludeerde Adriaan, terwijl hij naar de dansende vlammen staarde. “Soms leidt een valse start tot de mooiste finish. Een ‘vondst’ zit niet altijd in het object zelf, maar in de weg ernaartoe.”
Adriaan knikte langzaam, de warmte van Antje’s hand en de gloed van de kachel hielpen hem om de gebeurtenissen van de dag een plekje te geven. “Je hebt gelijk,” zei hij zacht. “Harrie en Trees moeten eerst maar eens rustig thuiskomen. Ze hebben hun eigen ‘vondsten’ en indrukken om te verwerken. We vallen ze niet lastig terwijl ze nog in die Ardense stilte zitten.”
De zolderopruiming was officieel uitgesteld tot ‘ergens volgende week’. In plaats daarvan lag de keukentafel nu vol met Adriaans oude boeken en schetsen van de kast. Terwijl de duisternis buiten de polder omhelsde, tekende Adriaan voor Antje uit hoe het mechanisme van de serrure à secret precies werkte.
“Moet je nagaan,” legde hij uit, “het hout moet over al die jaren precies genoeg gewerkt hebben om niet te klemmen, maar ook weer niet zo los te zitten dat het luikje eruit rammelt. Het is puur vakmanschap.”
Antje keek naar de passie in zijn ogen. Ze was blij dat het ochtendhumeur plaats had gemaakt voor deze intellectuele honger. “Ik ben benieuwd wat Harrie zegt als we hem dit vertellen. Die gelooft zijn oren niet. Hij gaat daarheen voor rust, en wij vinden hier ondertussen de schat van de eeuw in zijn eigen magazijn.”
Uiteindelijk doofde Adriaan de kachel. De opwinding maakte langzaam plaats voor een gezonde vermoeidheid. Terwijl ze samen de trap op liepen, bleef Adriaan nog even staan bij het slaapkamerraam waar hij die ochtend de regenboog had gezien. De maan scheen nu over de velden, en de horizon was kalm.
“Morgen is een nieuwe dag, Antje,” zei hij, terwijl hij het bed weer opmaakte — dit keer zonder morren en mét haar hulp. “Een dag waarop we Harrie verwelkomen en het mysterie van Marguerite de Valois-Borset verder gaan ontrafelen.”
Antje nestelde zich onder de dekens. “Slaap lekker, Adriaan. En als je morgen weer naar een regenboog wilt staren… roep me dan gewoon. Dan kijken we samen.”
