De Kleuren van Onbegrip De vroege ochtend in de polder was een schouwspel van contrasten. Adriaan stond voor het slaapkamerraam en tuurde naar de horizon, waar de zon een moeizame strijd voerde met de grijze nevels. Aan de einder trokken donkere gordijnen van regen over het land, maar precies daar waar het licht de druppels raakte, spande een volmaakte […]

De vroege ochtend in de polder was een schouwspel van contrasten. Adriaan stond voor het slaapkamerraam en tuurde naar de horizon, waar de zon een moeizame strijd voerde met de grijze nevels. Aan de einder trokken donkere gordijnen van regen over het land, maar precies daar waar het licht de druppels raakte, spande een volmaakte regenboog zich als een kleurrijk eerbetoon over de akkers. Het was een beeld dat rust zou moeten geven, maar de vrede werd ruw verstoord door een stem van beneden.

“Adriaan! Schiet je op? Het ontbijt staat op tafel!”

Adriaan schrok op uit zijn overpeinzingen. “Ik ben er zo!” riep hij met een rauwe ochtendstem terug. “Ik heb het bed even opengeslagen om te luchten!”

Terwijl hij de ramen wijd openzette en de frisse, vochtige buitenlucht naar binnen stroomde, voelde hij de irritatie opwellen. Hij liep de trap af, terwijl zijn pantoffels ritmisch op de treden kletsten — een geluid dat zijn groeiende gemopper onderstreepte. Waarom roept ze me niet gewoon als ze opstaat? dacht hij nijdiger dan hij eigenlijk wilde. Dan hadden we samen die lakens kunnen schudden, samen die koffie kunnen zetten. Maar nee, mevrouw heeft vast weer een strak plan voor de dag waar ik pas op het laatste moment van hoor. Laat ze dan toch eens overleggen…

Hij bereikte de onderste trede en schudde zijn hoofd. “Verdorie, bijna veertig jaar getrouwd en ze heeft het nóg niet afgeleerd,” mompelde hij in zichzelf.

Toen hij de keuken binnenstapte, waar de geur van verse thee en geroosterd brood hing, kon hij het niet laten. Hij schoof zijn stoel met een krassend geluid naar achteren. “Wat heb je vanmorgen weer in je zin, Antje? Om er zo zonder mij te wenken uit bed te sluipen?”

Antje, die net de krant wilde openslaan, keek op. Haar blik was niet schuldbewust, maar eerder een mengeling van verbazing en lichte spot — het gezicht van ‘wat wil je nou eigenlijk van me?’.

“Het is bij jou ook nooit goed, hè?” reageerde ze kalm, maar met een scherp randje in haar stem. “Gisteren zat je hier nog te brommen dat je ‘wel even had door willen slapen’. Nu laat ik je een keertje liggen, en dan is het wéér niet goed. Ik zal voortaan wel drie keer nadenken voordat ik rekening met je houd. Bedankt hoor, Antje!”

Ze boog haar hoofd weer over de krant, terwijl de prachtige regenboog buiten langzaam vervaagde, net als de goede sfeer aan de ontbijttafel.

Adriaan bleef een moment zwijgend staan, terwijl hij naar de achterkant van Antjes krant staarde. Hij voelde zich een beetje een dwaas; het klassieke geval van met het verkeerde been uit bed te zijn gestapt. De ergernis die op de trap nog zo logisch leek, smolt nu weg onder de nuchtere blik van zijn vrouw.

Hij nam een hap van zijn beschuitje, die luider kraakte dan de stilte hem lief was.

“Nou ja,” begon hij, terwijl hij zijn stem wat liet zakken om de scherpe kantjes eraf te halen. “Het kwam misschien ook door wat ik daarboven zag. Ik stond voor het raam naar die regenboog te kijken. Prachtig gezicht was het, over die akkers heen. Ik bleef er gewoon in hangen en toen jij riep, schrok ik me een hoedje.”

Antje keek over de rand van haar krant heen. Haar blik verzachtte iets toen ze de ongemakkelijke trek om zijn mond zag. Ze kende hem langer dan vandaag; Adriaan en zijn ochtendhumeur waren net zo voorspelbaar als de regen in de polder.

“Een regenboog?” vroeg ze, terwijl ze de krant eindelijk op tafel legde. “Dus dat was het. Ik dacht al: wat staat hij daar toch te spoken daar boven.”

Adriaan knikte en schoof zijn thee een beetje dichterbij. “Ja, het was net een schilderij. Maar ik had het niet op jou af moeten reageren. Ik ben geloof ik inderdaad met het verkeerde been uit bed gestapt. De grond voelde blijkbaar kouder dan ik dacht.”

Antje moest nu toch een beetje lachen. “Dat been van jou heeft vaker ruzie met de vloerbedekking, Adriaan. Maar vooruit, ik vergeef het je. Drink je thee nou maar op voordat die ook koud wordt.”

De ijzige sfeer aan tafel klaarde op, sneller dan de bewolking buiten. Adriaan nam een slok en voelde de warmte van de thee en de vergeving van Antje.

“Maar vertel eens,” zei hij, terwijl hij een voorzichtig bruggetje sloeg naar zijn eerdere argwaan. “Had je nog plannen voor vandaag? Want meestal als je me laat uitslapen, heb je een flinke klus in gedachten.”

Antje trok een wenkbrauw op. “Misschien. Maar laten we eerst die regenboog maar eens afkijken voordat we de ladder uit de schuur halen.”

Net toen Adriaan de laatste kruimels van zijn beschuitje wegveegde, trilde zijn telefoon op het tafelzeil. De naam ‘Jannus’ lichtte op. Adriaan keek even verbaasd naar Antje, die haar wenkbrauwen optrok. Het was nog vroeg voor zakelijke gesprekken.