De Man zonder School In de kille ochtendlucht liep hij daar, met zijn ziel onder zijn arm. Hij kwam net bij zijn advocaat vandaan, maar het gesprek had hem een hol gevoel gegeven, alsof de man hem niet had verdedigd, maar hem juist van zijn laatste restje waardigheid had ontdaan. Nooit was hij ziek geweest. Geen griepje had hem […]

In de kille ochtendlucht liep hij daar, met zijn ziel onder zijn arm. Hij kwam net bij zijn advocaat vandaan, maar het gesprek had hem een hol gevoel gegeven, alsof de man hem niet had verdedigd, maar hem juist van zijn laatste restje waardigheid had ontdaan.

Nooit was hij ziek geweest. Geen griepje had hem ooit thuisgehouden. Zelfs toen die zware stalen kast op zijn voet viel en zijn dikke teen volledig plette, had hij geen dag verzuimd. Met een dik verband en strompelend op een slipper was hij gewoon voor de klas gaan staan. Hij was er altijd vanuit gegaan dat die tomeloze inzet werd gewaardeerd; er waren immers nooit klachten geweest over zijn lessen.

Maar nu stond hij op straat. Zijn werk, zijn passie — alles was hem in één klap afgenomen. De kille juridische taal van de advocaat kon daar niets aan veranderen. De wet bood geen pleister voor een gebroken hart.

De geur van het krijt, de houten schoolbanken en de levendigheid van zijn leerlingen; het was zijn hele leven geweest. Toen zijn route naar huis hem onvermijdelijk langs de vertrouwde schoolgevel voerde, werd het hem te veel. Het vertrouwde gebouw dat hij jarenlang als zijn tweede thuis had beschouwd, voelde nu als een verboden vesting. Daar, op de stoep waar hij duizenden keren vol goede moed overheen was gelopen, brak hij definitief.

Thuis was de onmacht net zo groot. Zijn vrouw begreep er ook niets van; zij onderhield nog steeds warme contacten met de echtgenoten van zijn oud-collega’s, wat de situatie alleen maar pijnlijker maakte. Zij was het geweest die hem had geadviseerd om bezwaar te maken tegen zijn ontslag. “Zoek een vakbond of een advocaat in het arbeidsrecht,” had ze gezegd. “Je kunt dit niet over je kant laten gaan.”

Dorus had naar haar geluisterd, al was het met tegenzin. Vroeger was hij trouw lid geweest van de vakbond, maar toen hij merkte dat zij stonden te slapen terwijl de ene na de andere ‘onderwijsvernieuwing’ over de scholen heen walste, had hij zijn lidmaatschap opgezegd. Hij voelde zich door hen niet meer vertegenwoordigd.

En zo was alleen die advocaat overgebleven. Maar in het kille kantoor van de raadsman was de passie voor het onderwijs gereduceerd tot wetsartikelen en ontslagvergoedingen. Voor Dorus voelde het alsof hij zijn ziel probeerde terug te kopen met een contract dat hij eigenlijk niet wilde tekenen.

De gesprekken met de advocaat liepen uit op een frustrerende impasse. De juridische taal kon de werkelijke kloof niet overbruggen. De schoolleiding was onverbiddelijk geweest: zijn manier van lesgeven was ‘verouderd’. Zijn lessen hadden te veel diepgang, en diepgang kostte tijd—tijd die er in de nieuwe, strakke roosters niet meer was.

Het moderne onderwijs draaide in de ogen van Dorus om schaalvergroting. De school wilde zoveel mogelijk leerlingen binnenhalen om de bijbehorende subsidies veilig te stellen. In dit nieuwe model moesten leerlingen ‘zelfstandig’ worden. Er hoefde niet langer echt les te worden gegeven; ‘begeleiden’ was het toverwoord geworden.

Dorus, de man die leefde voor het moment dat een leerling de stof werkelijk begon te begrijpen, paste niet meer in dat plaatje. Voor de directie was hij een vertragende factor in een geoliede machine die gericht was op doorstoomcijfers en budgetten. Waar hij de diepte zocht, eiste de school snelheid. De advocaat kon procederen over de ontslagvergoeding, maar hij kon de ziel van de school niet herstellen. Dorus was een leraar in een tijd waarin de wereld alleen nog behoefte leek te hebben aan procesmanagers.