Terwijl de vroege ochtendzon door de hoge ramen van De Lege Knip naar binnen viel, heerste er een bijna gewijde sfeer in het magazijn. Harrie had de hele nacht onrustig geslapen; het telefoontje dat hij de avond ervoor thuis van Jannus had gekregen, spookte door zijn hoofd. De stem van Jannus had getrild van opwinding toen hij vertelde over de Louis d’ors en de geheime nis.
Terwijl de auto van Harrie en Trees tot stilstand kwam op de vertrouwde parkeerplaats, bleef het ongewoon stil op de achterbank. Sally en Lotte waren op het Slot achtergebleven; er moesten nog koffers worden uitgepakt, wasjes worden gedraaid en de laatste “naweeën” van hun emotionele reis moesten een plekje krijgen. De rust van de Ardennen trilde daar nog na, maar hier, bij De Lege Knip, was de spanning om te snijden.
Harrie stapte uit en snoof de vertrouwde geur van boenwas en oud ijzer op. Jannus en Piet stonden als ongeduldige schildwachten bij de koffieautomaat, hun mokken dampend in de ochtendkoelte. Maar het was de aanwezigheid van Adriaan die de situatie echt gewicht gaf. Dat hij zijn krant en zijn vertrouwde fauteuil had verlaten om hier op een harde werkbank te gaan zitten, betekende dat er iets historisch aan de hand was.
Adriaan keek niet eens direct op toen Harrie en Trees binnenliepen. Hij zat voorovergebogen, zijn loep slechts millimeters verwijderd van de eikenhouten nerf van de kast.
“Je bent vroeg, Adriaan,” zei Harrie met een glimlach, terwijl hij zijn jas over een oude stoel hing. “Heb je de krant al uit?”
“De krant?” Adriaan keek nu op, zijn ogen vergroot door de sterke glazen van zijn bril. “Harrie, vergeet het wereldnieuws. Het nieuws van de eeuw staat hier op de werkbank. Ik heb die brief van Marguerite nog eens letterlijk vertaald met Antje gisteravond. We hebben het over de Franse Revolutie die hier tastbaar op tafel ligt.”
Trees liep naar de werkbank en legde een hand op Adriaans schouder. “En? Hebben de munten nog meer geheimen prijsgegeven?”
Piet kwam erbij staan met twee verse koppen koffie voor de reizigers. “Adriaan heeft de hele ochtend al zitten mompelen over ‘meestertekens’ en ‘smidstempels’. Hij is er heilig van overtuigd dat dit beslag niet zomaar uit een fabriekje kwam.”
“Fabriekje?” brieste Adriaan bijna beledigd. “Dit is handwerk van het hoogste niveau uit de Maasvallei. Kijk hier, Harrie.” Hij wees naar de onderkant van de geheime nis. “Er staat een klein brandmerk in het hout. Een heraldisch schildje dat bijna is weggesleten.”
Harrie boog zich naast Adriaan. De sfeer was onmiddellijk veranderd van een ‘welkom thuis’ naar een wetenschappelijk congres in een stoffig magazijn.
“Terwijl Sally en Lotte op het Slot de boel aan kant maken,” zei Trees zachtjes, “begint hier de echte ontdekkingsreis. Het lijkt wel of de Ardennen ons achterna zijn gereisd naar de polder.”
Jannus knikte instemmend. “Dat is precies wat ik Harrie gisteravond aan de telefoon probeerde te vertellen. We hebben niet alleen een kast gekregen bij die boedelruiming, we hebben een erfenis geadopteerd. En Adriaan heeft een vermoeden over de familie Van der Meeren waar we de kast van hebben…”
“Daar zijn ze!” riep Jannus, terwijl hij de zware deuren verder openschoof. “Hebben jullie de vlaai meegenomen om de schat te vieren?”
Harrie liep direct op de Luikse kast af, die daar in het volle licht stond te pronken. “Ik heb er geen oog van dichtgedaan, Jannus. Aan de telefoon dacht ik nog: die jongens houden me voor de gek. Maar nu ik hier sta…” Hij zweeg even en streek met zijn hand over het eikenhout. “Het voelt alsof dit meubel op ons heeft gewacht.”
Adriaan wenkte hen naar de tafel waar de twaalf goudstukken en de brief op het blauwe fluweel lagen. Trees hield haar adem in. “Het is echt goud,” fluisterde ze. “Niet alleen het materiaal, maar de gedachte dat die Marguerite dit met trillende handen heeft weggelegd voor haar kind.”
Adriaan keek Harrie aan. “Ik heb de hele avond met Antje overlegd, Harrie. We hebben een morele plicht. Deze kast is gisteren officieel binnengekomen bij de boedelruiming van de familie Van der Meeren. Maar die familie heeft geen idee. Ze dachten dat het ‘gewoon een zware kast van overgrootvader’ was.”
Piet zette vier dampende mokken koffie neer tussen de antieke gereedschappen. “Wat is het plan, mannen? Gaan we de familie bellen, of gaan we eerst zelf op onderzoek uit?”
Harrie nam een slok koffie en keek van de brief naar zijn vrienden. “We doen het op de manier van De Lege Knip. We gaan niet overhaasten. Adriaan, jij duikt in de stamboom van de familie Van der Meeren om te zien of zij de nazaten zijn van die zoon waar Marguerite over schreef. En Jannus en ik… wij gaan de herkomst van de boedel nog eens precies na. Waar kwam die kast oorspronkelijk vandaan voordat hij in die schuur belandde?”
Trees glimlachte terwijl ze de groep gadesloeg. De rust van de Ardennen was getransformeerd in een nieuwe, gezamenlijke energie. De winkel was die ochtend nog officieel gesloten voor klanten, maar de ‘vrienden van de Knip’ waren drukker dan ooit.
“Eén ding is zeker,” zei Adriaan terwijl hij zijn loep weer op de brief legde. “Deze twaalf Louis d’ors gaan niet in de kassa. Ze gaan een verhaal vertellen dat dit dorp nog lang zal heugen.”
Adriaan hield zijn loep plotseling stil. Zijn ademhaling stokte even, wat de anderen direct deed zwijgen. Hij staarde niet langer naar het grote vak waar de munten in hadden gezeten, maar naar de massieve eikenhouten zijwand van de nis zelf.
“Wacht eens even,” mompelde hij. “Dit hout is te dik. Als je kijkt naar de buitenmaat van het kabinet en de diepte van deze nis, dan missen we ergens drie centimeter.”
Hij reikte in zijn jaszak en haalde daar een klein, modern magneetje tevoorschijn dat hij aan een touwtje had gebonden—een trucje van de oude stempel. Hij liet het magneetje langzaam langs de binnenkant van het vak glijden. Terwijl Harrie, Trees, Jannus en Piet met ingehouden adem toekeken, gebeurde het: ter hoogte van een onopvallende kwast in het hout schoot het magneetje met een felle tik vast tegen de wand.
“Magnetiet,” zei Adriaan met een triomfantelijke glimlach. “In de achttiende eeuw gebruikten ze soms natuurlijke magneetsteen om sluitingen te maken die je met een sleutel nooit zou vinden. Je had een tegen-magneet nodig, of een heel specifieke beweging.”
Hij drukte met zijn duim op een heel specifiek punt, precies tegenover de plek waar het magneetje plakte, en gaf een korte, zijwaartse ruk aan een onzichtbare richel. Met een zacht, bijna onhoorbaar plopje schoof er een flinterdun paneeltje weg.
In dit tweede, nog kleinere vakje lag geen goud. Er lag slechts één enkel voorwerp: een zilveren medaillon aan een zijden lintje, dat de tand des tijds wonderwel had doorstaan.
Adriaan pakte het voorzichtig op met zijn pincet. “Kijk,” fluisterde hij. Hij klikte het medaillon open. Aan de ene kant zat een piepklein, geschilderd portret van een jonge man met een poederpruik, en aan de andere kant… een haarlok, samengebonden met een gouden draadje.
“Dit is de zoon,” zei Trees ontroerd, terwijl ze over Adriaans schouder meekeek. “Marguerite heeft niet alleen zijn erfenis veiliggesteld in de vorm van goud, ze heeft haar dierbaarste bezit—zijn beeltenis—in het hart van de kast bewaard.”
Harrie wreef over zijn kin. “Dit maakt het persoonlijk, Adriaan. Goudstukken zijn anoniem, maar dit gezicht… dit is een mens van vlees en bloed. Als we dit medaillon kunnen koppelen aan de stamboom van de familie Van der Meeren, dan hebben we niet alleen een schat gevonden, maar een verloren zoon thuisgebracht.”
Jannus knikte langzaam. “Ik denk dat we die koffers op het Slot maar even moeten laten voor wat ze zijn. We hebben hier een puzzel die geen dag langer mag wachten.”
Adriaan kon het niet loslaten. Terwijl de rest van de groep zich ontfermde over de praktische zaken in de winkel, trok hij zich terug in zijn studeerkamer met het medaillon en een stapel kopieën uit het regionaal archief. Het gezicht van de jonge man op het portretje – een zekere Etienne de Valois-Borset – staarde hem aan met een blik die zowel dapper als een tikkeltje roekeloos oogde.
