Hendrik en Jan leerden elkaar kennen toen ze nog jonge mannen waren, op een leeftijd waarop de wereld groot leek en de toekomst eindeloos. Ze ontmoetten elkaar op een kleine scheepswerf aan de rand van hun dorp, waar ze allebei tijdelijk werkten. Wat begon als een eenvoudig gesprek tijdens de lunchpauze, groeide langzaam uit tot een vriendschap die hen een leven lang zou begeleiden.
In hun jeugd waren ze onafscheidelijk. Ze deelden dromen, plannen en angsten. Ze fietsten samen door het platteland, kampeerden zonder geld maar met veel lachen, en geloofden dat niets hen ooit uit elkaar zou kunnen halen. Zelfs toen het leven hen verschillende richtingen opstuurde — banen, gezinnen, verantwoordelijkheden — bleef hun band intact. Ze hoefden elkaar niet elke dag te zien; één blik was genoeg om te weten dat de ander er nog steeds was.
De jaren gingen voorbij. Hun haren werden grijs, hun stappen trager. Hendrik bleef altijd de rustigere van de twee, stevig gebouwd, met een zachte stem en een kalme blik. Jan was spraakzamer, scherper van tong, maar met een warm hart dat hij zelden verborg. Samen vormden ze een evenwicht dat niemand anders had kunnen begrijpen.
Toen ze met pensioen gingen, veranderde hun dagelijkse leven. De drukte viel weg, en de tijd werd ineens iets om samen te vullen. Elke ochtend ontmoetten ze elkaar op hetzelfde bankje bij het meer, precies om negen uur. Het was hun ritueel geworden. Ze keken naar het water, voerden de eenden en praatten over vroeger — niet met spijt, maar met dankbaarheid.
Soms waren er lange stiltes. Maar dat waren geen lege momenten. Het waren stiltes vol herinneringen: aan verloren geliefden, aan kinderen die volwassen waren geworden, aan fouten die pijn hadden gedaan en keuzes die hen gevormd hadden.
Op een regenachtige middag schuilden ze samen onder een oude eik. Jan sprak toen voor het eerst hardop over zijn eenzaamheid na de dood van zijn vrouw. Zijn stem brak, maar Hendrik luisterde zonder hem te onderbreken. Hij legde alleen een hand op Jans schouder.
