“Vriendschap die de Tijd Overleeft”

“Je hoeft hier niet alleen doorheen,” zei hij zacht.

De seizoenen wisselden elkaar af. De herfst kleurde het park goud en rood. De winter bracht kou en stilte, maar zelfs dan kwamen ze samen, dik ingepakt en langzaam lopend. Hun gesprekken werden korter, maar intenser. Ze spraken over ouder worden, over de angst om vergeten te worden, en over de vraag wat echt belangrijk was geweest in hun leven.

Op een dag kwam Hendrik niet opdagen. Jan zat alleen op het bankje, onrustig, zijn ogen steeds gericht op het pad. Pas later hoorde hij dat Hendrik ziek was geweest. Vanaf dat moment werd hun tijd samen kostbaarder dan ooit. Ze lachten minder luid, maar hun woorden droegen meer gewicht.

Op een heldere avond, terwijl de zon onderging en de lucht zacht oranje kleurde, zaten ze zwijgend naast elkaar. Het water lag stil, alsof het luisterde.

“Ik heb geen spijt,” zei Hendrik uiteindelijk. “Niet omdat alles goed was, maar omdat ik het niet alleen heb gedaan.”

Jan knikte, zijn ogen vochtig.
“Vriendschap,” antwoordde hij, “is blijven, zelfs wanneer alles verandert.”

Ze bleven zitten tot de avond viel. Twee oude mannen, verbonden door tijd, herinneringen en een vriendschap die sterker bleek dan de jaren. En terwijl de wereld om hen heen langzaam donker werd, wisten ze allebei hetzelfde: sommige banden verdwijnen nooit. Ze worden alleen stiller, dieper en onverwoestbaar.