
Ik was een alleenstaande leraar toen ik twee weeskinderen adopteerde.
Het was een pad vol obstakels. Mathis’ nachtmerries. Leo’s academische worstelingen. Driftbuien om een gebroken koekje of een hard geluid. Afspraken met de psycholoog, bezoekjes van maatschappelijk werkers, constante twijfel aan zichzelf… maar ook plakkerige ochtendpannenkoeken, sneeuwballengevechten, verjaardagskaarsjes, spontane knuffels. Onhandige tekeningen, gekrabbelde Moederdagkaartjes: “Voor de beste mama.”
Beetje bij beetje genazen ze. Samen.
Mathis werd discreet, gevoelig, een kunstenaar. Leo, grappig, extravert, vol leven. Tegenpolen als dag en nacht, maar voor altijd verenigd.
En ik was hun moeder.
Jaren zijn verstreken. Ik zag ze hun petten gooien en “Ik hou van je, mam!” roepen op hun diploma-uitreiking. En ik dacht bij mezelf: “Daarom was elk moment de moeite waard.”
Tweeëntwintig jaar na die regenachtige dag zat ik thee te drinken en door een oud fotoalbum te bladeren, toen de deurbel ging.
“Mam!” riep Leo toen hij binnenkwam. “Maak je vanavond maar klaar, we nemen je mee naar een bijzondere plek.”